VEILIGE HAVEN

Ze tilt haar hoofd van het stuur, veegt haar tranen weg en stapt uit. De zon schijnt op volle kracht, de kilheid van de gure wind verdrijft hij niet. Ze trekt haar jas strak om zich heen. Ze is de enige op deze plek waar vroeger rijen auto’s stonden te wachten voordat zij aan boord van het pontje konden gaan. Een plek waar mensen uren rondhingen voordat een vaartocht van nog geen half uur begon.
Ze loopt naar het huis naast de pier. Bij de oude kapiteinswoning bladdert de verf van de ramen. Verwaarloosd, of al het leven uit deze plek is vertrokken. Een rilling trekt door haar heen.
Ze wandelt om het huis heen. Tussen het groen ernaast ontwaart ze het smalle pad langs de kleine veerhaven. De keren dat ze in haar jonge jaren hier liep zijn ontelbaar. Nu is het overwoekerd door onkruid, hoe lang zou het geleden zijn dat hier iemand liep?

Aan het eind van het pad draait ze zich om, iets van de vrede die ze hier vond als kind daalt neer. Op haar gemak kuiert ze terug. Het verlangen naar de tijd dat ze hier keek hoe opa het pontje heen en weer voer, welt op. Was het nu ook maar zo dat oma haar in de keuken zou opwachten met thee en zelfgebakken koekjes. De cocon dat haar grootouders op deze plek om haar heen sponnen zorgde ervoor ze na de schoolvakantie de ruzies tussen mama en papa weer kon verdragen.
Een man plonst in het water. Nu pas valt haar op dat aan de zijkant van de haven bakken in het water zijn gemaakt. Ze vraagt zich af waarom. De man hijst zich aan de walkant omhoog en de vraag ebt weg. Druppels glinsteren in zijn rode baard en tussen zijn borsthaar. Met zijn handen in zijn zij kijkt hij haar richting uit. Net een woeste Viking en ze vraagt zich af of Nederland ooit is overmeesterd door de Noormannen. Waarom heeft ze op school niet beter opgelet bij geschiedenis?
‘Wil je wat eten?’
De stem van de man klinkt diep, donker en trilt een diep verstopt gevoel van behagen los.
‘Dit is een restaurant, waarvoor zou je anders naar deze uithoek komen?’
Ze loopt achter hem aan, nu ze terugloopt vallen haar op de gevel de vervagende woorden ‘Het Oude Veerhuis – Brasserie’ op. ‘Het is allemaal zo verlaten en vervallen.’
‘Ik ben alleen met de zomermaanden open. Na het laatste weekend van oktober ga ik dicht en met Pasen open ik weer. Dit jaar wordt het wat later.’
‘Kan je daar van leven?’
‘Ik heb niet veel nodig.’ Hij houdt de deur voor haar open.
Binnen is het of de tijd heeft stilgestaan en ook niet. Nog steeds is er een voor- en achterkamer met daartussen openstaande schuifdeuren, de zware eiken meubels zijn vervangen door formicatafels met een bonte verzameling houten keukenstoelen. Toch oogt het niet rommelig of goedkoop, het is huiselijk en de warmte van oma’s troost hangt er nog steeds. Ze sluit haar ogen en of haar grootmoeder nog steeds hier is, voelt ze haar armen om zich heen: Sst, stil maar. Het komt allemaal goed.
Is dat zo? Kan deze plaats opnieuw haar veilige haven zijn?
‘Houd je van gegrilde kreeft?’
Ze opent haar ogen.
‘Het is mijn specialiteit en de basis van deze tent. Ik kan er een salade bij maken en verse patat.’
Het water loopt in haar mond en ineens realiseert ze zich dat haar maag hol is. Wanneer heeft ze eigenlijk voor het laatst gegeten?
‘Zoek een plekje, of wacht je liever bij mij in de keuken?’
Ze knikt en of ze een gedwee kind is, loopt ze opnieuw achter hem aan. In de deuropening trekt de energie uit haar benen. Het is niet de vergrootte ruimte zelf of de roestvrijstalen professionele keukenapparatuur die haar verlamd, het is de aanblik van de oude keukentafel in de hoek die haar treft.
‘Wat is er? Gaat het wel?’ Bezorgd pakt hij haar arm vast en begeleidt haar naar een stoel aan de keukentafel.
‘Dat is opa’s stoel.’ Ze maakt zich los en gaat op de stoel zitten waar ze altijd al zat.
‘Ah. Dat is het.’
‘Wat is het?’
‘Zodra ik je zag wist ik dat er iets bijzonders met je was.’
Hij zet een fles rosé met twee boerenwijnglazen op tafel en gaat tegenover haar zitten. Hij ontkurkt de wijn. ‘Provençaalse, de beste. Zeker bij schaaldieren.’ Hij schuift haar een gevuld glas toe. ‘Op de vondst van het leven.’
Ze lacht en neemt een voorzichtig slokje. De wijn is fris, met een klein bittertje en een vleugje krijt. Verrassend en opwindend, net als de man tegenover haar.
‘Het is nu een paar jaar geleden dat ik hier kwam en zodra ik binnen stapte viel er een warme deken van troost om mij heen. Ik wist het meteen, dit is mijn plek, mijn veilige haven.’
Haar adem stokt en aan de vrolijkheid in zijn ogen te zien, maakte ze er geluid bij.
‘Zie je, jij voelt het ook.’
‘Maar …’
‘Niks maar. Ik kon het huis voor een prikkie kopen en begon hier deze simpele brasserie. Nu jij hier bent is het compleet. Het huis omhelst ons, jij voelt het toch ook?’
Haar gedachten zoeken een weg in haar herinneringen. Al die keren dat haar grootvader na een lange dag op het veer aan deze tafel schoof, haar grootmoeder zette het eten op tafel en ging tegenover hem zitten. Hun glimlach, vol van een taal die zij alleen spraken. De draadjes van geluk die tussen hen werden uitgesponnen tot een web van liefde dat ook haar omvatte. Nu worden ze gesponnen tussen deze man en haar. Snappen doet ze het niet, haar hart zegt dat het klopt.
‘Waarom heb je deze tafel laten staan?’ Ze streelt het hout en het is of de warmte van haar jeugd er nog steeds in zit.
‘Hij liet zich niet weggooien.’ Zijn blik is broeierig en dringt door tot in haar onderbuik.
Om haar verlegenheid te maskeren neem ze snel een grote slok wijn. Ze zet het glas neer en hij schenkt het gelijk bij.
‘Stop, niet zo vol. Ik moet nog rijden.’
‘Je bent net thuisgekomen. Waar moet je heen?’ Hij staat op. ‘Ik zal eerst eens wat te eten voor ons maken, praten kan later nog.’
Haar gedachten dwalen naar haar eigen huis. De halflege kledingkast, het te koop bord in de tuin en de vrije dagen die voor haar liggen.
Ze nipt van haar wijn en laat al haar vragen los. Hij heeft gelijk, dat kan altijd nog. Voor nu geniet ze van het comfortabele gevoel dat het huis haar geeft én van de man die in de keuken bezig is met aardappels, lamsoren en kreeft. Warm en intiem. Een oud lontje van geluk waarvan ze niet wist dat het nog in haar sluimerde, ontvlamt.
Zie je wel. Oma’s stem streelt aangenaam in haar oor. Het komt allemaal goed.

Wil je geen zondagverhaal missen? Geef dan je emailadres door via het formulier op mijn homepage en ontvang iedere zondagochtend de link naar het nieuwste verhaal.

Fijn als je wilt liken en/of delen.

9 reacties

  1. Ben op 23 mei 2021 om 10:22

    Wat heerlijk en tegelijk zo mooi onroerend. Wat ben ik toch dol op jouw zondagverhalen. De regen verdwijnt de zon schuift de wolken opzij….

  2. Conny op 23 mei 2021 om 10:33

    Wat een zachtaardig verhaal, Marceline. Mooi! Fijne Pinksteren! 😘

  3. Margarethhill op 23 mei 2021 om 19:34

    Weer zo’n een heerlijke romance.

  4. Marceline de Waard op 23 mei 2021 om 20:50

    Conny, Margareth en Ben, wat fijn dat jullie het verhaal mooi en heerlijk vonden. Daar ben ik erg blij mee! Marceline

  5. Elf van Chatillon op 24 mei 2021 om 10:06

    Geweldig rustgevend dat iemand in staat is je mee te voeren in gevoelens die niet van jou zijn, maar je niet minder vertrouwd voorkomen.
    Hulde!

  6. Louise Jonkman op 24 mei 2021 om 13:37

    Het is je weer gelukt Marceline!
    Een verhaal te schrijven die je meeneemt en van mij een toeschouwer maakt.
    Dat gevoel van heimwee naar en thuiskomen bij …
    Menselijke emoties die jij zo mooi beschrijft …
    Kortom ik volg je pen weer van 💙

  7. Marceline de Waard op 24 mei 2021 om 21:32

    Elf en Louise, dank jullie wel! Heerlijke complimenten, ik glim ervan 🙂

  8. Bep op 25 mei 2021 om 04:01

    Wat een heerlijk verhaal Marceline, het voelt als thuiskomen, als een warm bad!

    • Marceline de Waard op 25 mei 2021 om 07:20

      Wat fijn, Bep! Dank je wel.

Laat een reactie achter