Wonderlijk hoe weinig tastbaars er overblijft van een heel leven. In de ferryhaven zet Dough zijn bijna gewichtloze rugzak bij zijn voeten. In de verte dobberen boten aan hun boei en met het zilt van de zee in zijn neus verandert het geroezemoes van de stad achter hem in een betekenisloos gedreun.

De ferry komt om de hoek van de landtong en vaart langzaam de haven in. Zodra het schip is aangemeerd gaat de klep open. Veertig jaar valt weg. Bevrijding, verwachting en de overtuiging dat hij nooit meer terug zou keren rolt naar buiten. Het gevoel van toen brengt zijn verdoofde binnenste van nu tot leven en laat de wond van het verlies opnieuw schrijnen. Alsof het een reddingsboei is, sluit zijn hand om de kleine plastic zonnebloem in zijn jaszak. Nellie, zijn overleden vrouw, kocht de prul in het bruine plastic potje nadat ze net de sleutel van hun eerste huis kregen, een uitgeleefde bovenwoning. Ze zetten het in de haveloze raampost: “nu is het ons thuis,” zei ze. Bij iedere verhuizing ging het mee. Achtereenvolgens prijkte het in de vensterbank van hun eengezinshuis in de nieuwbouwwijk, van hun villa aan het water en van hun appartement aan de Amsterdamse gracht. Naast een paar dierbare foto’s en de goedkope kralenketting die ze van hun dochter kreeg is het het enige dat hij mee terug neemt naar het Hebrideneiland waar hij is geboren en getogen.

Een laatste auto verlaat de ferry. Hij sluit achteraan in de korte rij met voetpassagiers en loopt de boot in. Eenmaal binnen zoekt hij een rustig plekje aan de zijkant. De andere passagiers lopen door naar de voorkant waar het grote raam het beste uitzicht biedt. Hij vraagt zich af hoeveel er naar zijn eiland gaan. Twee keer per week slaat de veerdienst af naar Hebridensmaragd om daarna door te varen naar de grotere eilanden.
De boot maakt vaart, ze zijn de haven uit. Opeens maakt opwinding zijn entree, net als die keer dat hij voor het eerst met de ferry mee mocht naar het vasteland. Zeven was hij en met zijn ouders ging hij een bezoek brengen aan de school en het pleeggezin waar hij gedurende de schoolweken zou verblijven. Net als alle eilandkinderen moest hij na de early education voor school naar het vasteland. Na de eerste opwinding keek hij iedere week uit naar de vrijdagmiddag als hij, beladen met een stapel huiswerkopdrachten, voor het weekend naar huis mocht. Alsof hij opnieuw een schooljongen is, staat hij vol verwachting op en neemt de trap naar het buitendek.

De zeewind slaat in zijn gezicht en hij klemt zich vast aan de reling. Die keer dat zij vader naast hem stond en groep dolfijnen aanwees. Ook nu speurt hij het water af naar hun vinnen, ze laten zich niet zien. Hij steekt zijn handen in zijn zakken en zijn vingers raken de zonnebloem. Waarom nam hij het eigenlijk mee? Dacht hij soms een nieuw thuis te creëren als hij het in zijn ouderlijkhuis voor het raam zou zetten? Wat een sentimentele idiotie. Alles wat belangrijk is, zit in zijn hart. Hij haalt de prul uit zijn zak, drukt er een kus op en gooit hem in de zee. De wind droogt zijn tranen en laat zijn gezicht koud achter.

Zou het voor zijn vader ook zo geweest zijn na het overlijden van zijn moeder? Vraag het hem. De wind is als de fluistering van Nellie’s stem. Hij schudt zijn hoofd, gevangen in de herinneringen van zijn jeugd. Als jongen had hij niet door dat zijn moeder zich ziek voelde. Tot ze een keer tot zijn verbazing in de schoolvakantie met vader naar het vasteland ging. Bij terugkomst vertelden ze hem dat ze nog maar een paar maanden had. Kanker, uitgezaaid omdat ze er te laat mee naar een specialist ging. Met haar dood verdween ook de warmte uit zijn ouderlijk huis. Het zwijgen van zijn vader en de onwrikbaarheid van zijn regels en gewoonten. Het was een bron van ruzies en al snel kwam hij de weekenden niet meer thuis. Op zijn achttiende vertrok hij naar Londen om te studeren, vastbesloten om nooit meer terug te komen naar het achterlijke eiland. Hij hoort het zich nog schreeuwen tegen zijn vader. Medelijden golft op. Nu hij zelf weduwnaar is, begrijpt hij ineens wat een hel die tijd voor zijn vader moet zijn geweest.
Jij koppige Schot, praat met hem. Voor het te laat is. De wind zwelt aan net als de echo van Nellie’s stem in zijn hoofd. Voor het te laat is, voor het te laat is. Al zijn weigeringen om toe te geven aan Nellies’s verzoek zijn ’koninkrijk’ te bezoeken en het bij te leggen, steken nu venijnig in zijn hart.

Zijn gedachten gaan naar de brief van zijn vaders notaris. Zijn zakelijk toon over het naderende sterven van zijn vader en Dough’s plicht om de volgende Laird te worden. Nu hij op zijn weg terug is kan hij niet meer bedenken waarom hij al die jaren weigerde Nellie en hun dochter mee naar zijn eiland te nemen. De gedachte dat als hij het wél gedaan had, zij niet slachtoffer van een dodelijk ongeluk zouden zijn geworden, steekt opnieuw zijn kop op om zich vast te ketenen aan zijn herinneringen.

Eindelijk draait de ferry en komt de kleine haven in zicht. In de luwte van de baan geeft de zon de kleine vissershuizen aan de voet van de bergen een zachte gloed. Een warm gevoel zoals hij sinds de dood van zijn liefsten niet meer heeft gevoeld stroomt door zijn aderen. Thuis. De minuten die de boot nodig heeft aan te meren voelen als uren.
Als eerste gaat hij aan land. Zijn voet raakt de kade en een verlaten gevoel sijpelt door zijn poriën. Het haalt de vaart uit zijn benen en als verlamd blijft hij staan. Twee stellen mensen lopen hem voorbij naar de post-shop, tevergeefs proberen zij de deur open te duwen. Het schudt hem wakker en hij loopt de pier af. De haveloosheid van de huizen aan de andere kant van de haven dringt nauwelijks tot hem door, afgeleid als hij is door de vraag waar iedereen is.

‘We zouden hier de sleutel van ons vakantiehuis ophalen,’ één van de mannen bij de winkel komt zijn richting uit.
‘Ik ga wel kijken, wacht u maar hier.’ Zij stem is onbewogen, een schril contrast met de kille angst die zich steeds verder in hem verspreidt. Hij loopt de onverharde weg op naast het hotel, zodra hij weet dat hij uit het zicht is van de mensen beneden zet hij het op een hollen alsof hij zo de werkelijkheid van wat hij vreest kan ontvluchten. Hij slaat de hoek op en komt bij de kleine kerk. Ook hier bladdert het pleisterwerk van het voorportaal af. Vanaf de begraafplaats achter het gebouw klinken stemmen. Hij loopt erom heen en aan de rand van het kerkhof houdt hij halt. Daar is iedereen, met gebogen hoofd staan ze om een gat naast het graf van zijn moeder.

Wil je geen zondagverhaal missen? Geef dan je emailadres door via het formulier op mijn homepage en  ontvang iedere zondagochtend de link naar het nieuwste verhaal.

6 reacties

  1. Ben op 20 september 2020 om 12:03

    Wow, wat wordt dit weer een indringende en meeslepende feuilleton. En dan zo op het hoogtepunt eindigen met een mooie cliffhanger….. Het is weer een echte Marceline! Heerlijk!

    • Marceline de Waard op 20 september 2020 om 15:30

      Dank je wel, Ben, dat zijn fijne complimenten.

    • Bep op 21 september 2020 om 18:55

      Ik zit meteen weer in het verhaal, het grijpt me echþ aan en ik kan niet wachten op het vervolg!
      Dankjewel Marceline!

      • Marceline de Waard op 21 september 2020 om 19:03

        Graag gedaan, Bep, en dank voor je heerlijke reactie.

  2. Thole op 26 september 2020 om 15:09

    De eerste alinea is veelzeggend. Prachtig gedaan.

    • Marceline de Waard op 26 september 2020 om 22:23

      Dank je wel, Thole 🙂

Laat een reactie achter