Vorige week verscheen de wedstrijdbundel Dansende olifanten op het ijs. Nog steeds ben ik blij met mijn plek in deze bundel. De wedstrijd werd gewonnen door Frans van de Eem met het geweldige Een menuet voor twee olifanten, een Kever en een Badkuip. In deze blog vertelt hij hoe hij het bedacht.

Frans van der Eems inspiratie voor ‘Dansende olifanten op het ijs’

Misschien wel de meest gestelde vraag aan een schrijver is: ‘Waar haal jij je inspiratie vandaan? Of, iets platter: ‘Hoe verzin je het!’ Voor mij is inspiratie fantasie, belangstelling voor de wereld en mijn medemens, nieuwsgierigheid, inleving en – vooral – associatie. Ik vertel hoe ik ermee omga in een korte serie beschouwingen.

Ik hou het een beetje luchtig, want ik ga het hebben over de inspiratie voor mijn verhaal ‘Menuet voor twee olifanten, een Kever en een Badkuip’, dat op 25 januari 2020 de eerste prijs won bij de Godijn-schrijfwedstrijd ‘Dansende olifanten op het ijs’.
Dus even geen zware betogen over ‘Waargebeurd is geen excuus.’ (Gerard Reve), ‘autobiografisch is saai’ en ‘indringende herinneringen zijn vaak nep’.

In de strenge winter van 1963, die van de meest legendarische Elfstedentocht aller tijden, was ik acht. Ik groeide op in de verpauperde, negentiende-eeuwse binnenstad van Dordrecht, aan de oever van de rivier de Merwede. Mijn vriendjes en ik waren echte straatschoffies, tuk op avontuur. Dus toen de Merwede dichtvroor en sommigen zich met auto’s op het ijs aan de rand waagden, waren wij er als de kippen bij.
Dordrecht werd elk jaar aangedaan door het circus Toni Boltini. Met echte wilde dieren! Ook dat misten we nooit, inclusief het naar binnen sluipen op het circusterrein. En het betrapt worden, resulterend in een ruwe behandeling door het circusvolk.

Tot zover de herinneringen, die ik voor alle zekerheid heb geverifieerd bij mijn nog kwieke vader van 87, destijds schoenmaker op de rivierdijk. Leuk, maar nog geen verhaal.
Deze herinneringen zijn dan ook ‘slechts’ basiselementen voor mijn prijswinnende verhaal, dat in feite een ‘coming of age’ – verhaal is. Jonge jongens doen soms iets dat zij hun verdere leven met zich meedragen. Wat dan weer een herinnering wordt, dat wel.

Maar ik ben schrijver, dus ik voeg dingen samen. Ik voeg (fictie) toe en ik vergroot uit. De schoenmaker werd een slager, wat een spannend beginbeeld opleverde van vingers in een gehaktmolen. Het voorzichtig slippen met een autootje bij de beijsde oever werd een nooit voltrokken race dwars over de rivier. Circus Toni Boltini werd Circus Marcello Godrino, vernoemd naar mijn geliefde schrijfmuzen Marceline en Nel. Mijn ome Lou, toen inderdaad achttien, had net rijles gehad van mijn vader, maar als hij het ijs op was gegaan in een Kever (een VW) of een Badkuip (een Ford Taunus), had mijn oma hem opgesloten in het kolenhok. Dat ik verantwoordelijk was voor de kolenkachel, klopt overigens. En tot slot, van de nog kinderlijke achtjarigen die mijn vriendjes en ik waren, maakte ik eigenzinnige twaalfjarigen, die net – letterlijk – die vermaledijde korte broek hadden ingeruild voor een lange.

In mijn verhaal staan de jongens op het punt groot te worden. Een ijsrace met auto’s en het vrijlaten van mishandelde circusolifanten zijn daarbij de aangrijpingspunten. Het beeld van de dansende olifanten is een metafoor, of zelfs een soort catharsis. Noem het een inspirerende bevrijding.

FRANS VAN DER EEM

Laat een reactie achter