EEN KWESTIE VAN RECHT

(“voor Paul”)

‘Wat is er met jou gebeurd?’ Geschrokken sta ik op en kijk naar Paul, mijn chef, die met zijn hand voor de mond de verhoorkamer uitkomt. Bloed komt tussen zijn vingers door en zijn oog is rood en dik.
Hij wordt gevolgd door Barry, de jongen met wie hij in gesprek was. Die ziet eruit of hij zojuist een spook heeft gezien, op de knokkels van zijn tot vuisten gebalde handen zit bloed. Hij probeert langs mij te schieten.
‘Hier! Dat is mishandeling van een agent in functie, je kan daarvoor niet weglopen.’ Ik grijp hem vast bij zijn schouder.
‘Laat los. Of wil je ook een ram voor je harses.’ Hij houdt zijn vuist voor mijn gezicht, zijn ogen vlammen van haat.
‘Laat hem gaan.’ De stem van Paul. ‘Het ziet er erger uit dan het is. En je hebt zelf gezien hoe zijn zusje eraan toe is.’
De gedachte aan de foto’s van Barry’s zusje is voldoende voor een nieuwe golf misselijkheid. Na de verkrachting waarbij ze haast onherkenbaar toegetakeld werd, ligt ze al twee weken in het ziekenhuis. Nog steeds is ze niet bij kennis.
Opeens herinner ik me mijn onhandelbare gedrag nadat slechts mijn poes was doodgereden. Met een mengeling van begrip en medelijden laat ik zijn schouder los.

‘Moet ik je naar de eerste hulp brengen?’ Bezorgd loop ik achter Paul aan. In de deuropening van het herentoilet blijf ik staan.
‘Niet nodig.’ Hij maakt zijn gezicht schoon.
Nu het bloed weg is, ziet het er minder erg uit. Een snee in zijn lip en een dik oog.
‘Waarom werd hij zo kwaad?’ Nog geen uur geleden meldde de jongen zich bij het bureau en hij stond erop Paul te spreken.
‘Hij had uitgedokterd wie dit zijn zusje had aangedaan.’
‘Oh jee.’
‘Hij wilde dat we Milan op gingen pakken. Mijn uitleg over de onschendbaarheid van het corps diplomatique viel niet in goede aarde.’
‘Dat snap ik.’
Milan laat een spoor van mishandelde meisjes en jonge vrouwen achter. Hij kiest zijn slachtoffers slim, het zijn allemaal meisjes die aan de rand van onze maatschappij leven en waar eigenlijk niemand zich druk om maakt. Behalve wij en nu ook Barry.
‘Zijn jullie hier.’ De wachtcommandant komt aangelopen, hijgend van de vele kilo’s die hij mee moet torsen. ‘Het ziekenhuis is aan de lijn en ze willen jullie spreken.

Paul legt langzaam de hoorn neer. In zijn witte gezicht steken zijn oog en lip grotesk af. ‘Barry’s zusje is overleden.’ Hij klinkt als zo’n bandje dat aan de telefoon vertelt hoeveel wachtenden er nog voor je zijn.
‘Wat?’
‘Je hoort het goed. Het ziekenhuis vraagt of wij het haar broer willen vertellen.’
Ik volg mijn baas naar de buitendeur, een koude hand sluit zich om mijn hart en de uitsmijter van de lunch transformeert tot lood in mijn maag.

De volgende ochtend voelt het of ik alleen nog uit een omhulsel besta en het kost al mijn energie om mijn auto achter het bureau te parkeren. De hele nacht speelde de film van gisteren zich af. Barry op de versleten leren bank voor de enorme televisie in zijn huis. Met iedere traan die op de grond drupte, leek zijn lichaam te slinken.
Het beeld is in mijn geheugen gegrift, zo ook zijn woorden. ‘Nu is het moord, gaan jullie hem nou wel oppakken?’
Ik staarde naar de Zippo op de salontafel. De daarin gegraveerde blote vrouwenbillen met een roos boven een minuscuul driehoekje van een string voelde misplaatst.
De stilte van ons antwoord brandde een leeg gat in mijn borst.
Met trillende vingers probeerde hij een sjekkie te draaien. Het wilde niet lukken. Woest pakte hij de Zippo en smeet hem met een knal van zich af: ‘Tieft op!’

‘We hebben een lijk.’ Paul wacht me op bij de ingang. Zijn ene oog is niet meer dan een spleet en de huid eromheen paarsblauw. ‘Kom.’
Hij geeft mij de sleutels van de dienstauto.
We stappen uit bij het industrieterrein aan de rand van de stad.
De opeenhoping van busjes en een ambulance maakt duidelijk waar we moeten zijn.
Eenmaal daar kijken we neer op een lichaam dat in een onmogelijke hoek ligt. Tussen de panden van zijn leren jack puilt een bloederige massa uit, zijn gezicht is verbazingwekkend genoeg nog herkenbaar.
Voor ons ligt het stoffelijk overschot van Milan. Ik wend mijn hoofd af en bedenk dat het een zegen is dat ik vanochtend mijn ontbijt niet naar binnen kreeg.
Buiten de kring van politieaandacht ligt een zilverkleurig voorwerp. Ik loop ernaar toe en ik herken een Zippo met daarin de blote billen van een vrouw gegraveerd. Boven haar bilnaad is het driehoekje van een string herkenbaar en op een van haar billen prijkt een rode roos.
Langzaam dringt tot mij door dat ik deze aansteker eerder zag. Gisteravond om precies te zijn, op de salontafel van Barry.
In een impuls ga ik door mijn knieën. Mijn vingers sluiten zich om de Zippo en ik stop hem in mijn jaszak.
Ik kom overeind, de bedrijvigheid bij het lijk van Milan gaat onverminderd door.
Tegenover mij knijpt Paul zijn ongeschonden oog dicht, zijn mondhoeken gaan iets omhoog.

Uit: Verlangen en nog meer zondagverhalen

—-
Wil je geen zondagverhaal missen? Geef dan je emailadres door via het formulier op mijn homepage en ontvang iedere zondagochtend de link naar het nieuwste verhaal.

Fijn als je wilt liken en/of delen.

8 reacties

  1. Ben op 4 december 2022 om 10:52

    Weer zo’n topper uit je verhalenbundel. Op zondagmorgen hoort het recht te zegevieren!

    • Bep van Vlijmen-van Dijk op 4 december 2022 om 14:15

      Wat goed geschreven, maar veel te kort! Nu moet het recht toch winnen!

      • Marceline de Waard op 4 december 2022 om 19:57

        Dank je wel, Bep! Ik denk dat de ik en Paul hier wel voor zorgen!

    • Marceline de Waard op 4 december 2022 om 19:58

      Ben, dank je wel! wat een mooi compliment

  2. Jenny op 4 december 2022 om 14:33

    Je laat me met vragen zitten, dus ….mag het volgende week tot een bevredigende oplossing komen hoop ik.

    • Marceline de Waard op 4 december 2022 om 19:57

      Jenny, volgens mij is het recht nu in goede handen bij Paul en de ik en komt het goed.

  3. Silvia op 6 december 2022 om 15:10

    wow super verhaal weer
    marceline
    echt mooi

    • Marceline de Waard op 6 december 2022 om 21:17

      Dank je wel, Silvia 🙂

Laat een reactie achter