‘Ik geloof mijn oren niet.’ Marianne, Dough’s secretaresse en al dertig jaar zijn rechterhand, kijkt op van haar bureau. Ze oogt alsof hij zojuist vertelde dat het water in de Amstel is veranderd in Schotse whisky.
‘De Japanners bieden een goede prijs. Ik heb er vertrouwen in dat zij de zaak goed voortzetten. Ze nemen ook al het personeel over, je positie is gegarandeerd.’
‘Daar gaat het niet om. Dit is je leven, wat moet jij dan?’ Eigenlijk bedoelt ze dit is mijn leven, ons leven, wat moet ik dan? Hij kijkt van haar weg zodat ze niet in zijn ogen kan lezen dat hij haar boodschap begreep. ‘Ik heb hier niets meer te zoeken.’
‘Wat ga je dan doen? Je bent niet iemand om stil te zitten en nu Nellie …’
Nellie. Door het uitspreken van haar naam gaat ze een grens over die ze nog nooit heeft geschonden. Zijn borst vult zich met een pijn die zijn hart samendrukt.
‘Gaat het wel?’ Bleek, alsof ook zij beseft dat ze dit niet had moeten zeggen, staat ze op.
Hij knikt en draait zich om. In de gang negeert hij de lift en opent de deur naar het trappenhuis. Zonder iemand tegen te komen snelt hij de twintig trappen naar de begane grond af. Pas als buiten natte wind in zijn gezicht slaat, heeft hij het gevoel dat hij weer lucht krijgt.
Het IJ kolkt en bruist en met zijn schouders opgetrokken tot zijn oren begint hij aan zijn wandeling naar zijn huis in de stad. Bij iedere voetstap dreunt haar naam door hem heen: Nellie, Nellie, Nellie. Zijn liefde, zijn muze, zijn leven, zijn alles. Tot die zondag. Samen met Liselotte, hun dochter, vertrok ze voor een stedentrip naar Rome. Ze haalden Rotterdam Airport niet eens. Frontaal, in één klap. Ze zouden niet hebben geleden. Hij hoopt dat de agenten daar gelijk in hadden en als die dronken onverlaat later in het ziekenhuis niet was overleden had hij daar eigenhandig voor gezorgd. Hij hoopt nog steeds dat die lul zijn laatste uren wél flink heeft geleden.

Die avond haalt hij de doos uit de berging die hij er twee jaar geleden diep in wegborg. Haar juwelendoosjes legt hij opzij en hij pakt de fotomapjes eruit. Later, als we oud en grijs zijn plakken we ze in. Hij hoort het haar zeggen alsof ze naast hem zit. Het gemis werkt zich als een prop naar zijn keel. Op de tast vindt hij zijn glas en met een flinke slok whisky slikt hij hem weg. Hij schudt de mapjes leeg, de eerste foto die hij pakt is er één van hem tijdens een vakantie. Wat een haar nog en wat was hij slank. Hij legt hem weg als niet-interessant. De uren daarna dwaalt hij door vergeten vakanties, familiefeesten en zakelijke recepties. Hij sorteert ze in stapeltjes ‘bewaren’ en ‘weg’. Zijn adem stokt bij hun trouwfoto’s en de babyfoto’s van Lisette. Hun enig kind, hun prinses en de opvolger van het bedrijf. De trip met haar moeder was bedoeld als overgang van haar studentenleven naar haar start in de zaak. Waarom had hij ze verdomme niet weggebracht? Inmiddels kan hij niet meer bedenken wat er toen zo belangrijk was, de overtuiging dat hij de dronkenlap wel had weten te ontwijken zit diep in hem verankerd.

De laatste foto’s die hij pakt zijn verkleurde oude kiekjes. Het duurt even en dan herkent hij zichzelf in de blaag die zijn arm om een mooi blond mesje heeft. Zijn Nellie met op de achtergrond de Big Ben. Hij weet niet meer dat de foto genomen werd of wie hem nam. Hij herinnert wel dat dit vlak na hun eerste ontmoeting was. De wereld kleurde geel, oranje en roze en verdrong het rotsige bruin en groen van zijn jeugd. Hij was net afgestudeerd en zonder ook maar een moment te aarzelen volgde hij haar als berooide Schot naar Nederland om nooit meer terug te keren naar zijn geboorteland. Hij grijpt naar zijn glas. Leeg.

Nadat hij zijn glas nogmaals heeft gevuld, pakt hij het briefje dat al een week op de hoek van de eettafel ligt. Slechts één dun velletje, toch voelt het als dieplood in zijn hand. Zonder er opnieuw op te kijken, ziet hij de woorden voor zich:

Het is tijd om thuis te komen.
De eilanders rekenen op de volgende Mac.
Athair

Twee zinnen, ondertekend met het koele ‘vader’. Hij bedwingt de neiging de woorden te verfrommelen en onder een laag afval in de vuilnisbak te verbergen. In plaats daarvan legt hij het briefje op tafel en pakt voor de zoveelste maal de bijbehorende brief van zijn vaders notaris op. De zakelijke woorden over zijn vaders gezondheid raken hem amper. Pijnlijker vindt hij dat het hooguit nog een paar maanden duurt totdat hij de Laird van de Hebridensmaragd is. Een titel die al eeuwen overgaat van vader op zoon en hem verantwoordelijk maakt voor een paar honderd bewoners op een afgelegen Schots eiland. Een verantwoordelijkheid die hij niet wil maar waarvan hij weet dat hij hem niet kan weigeren.

Hij gaat voor het raam staan en kijkt uit over de gracht. De eeuwenoude panden aan de overkant vervagen tot bergen, rotsachtig grijsbruin tegen een hemel waar wolken als knotten wol overheen jagen. De rondvaartboten gaan op in een mist van regen die kil zijn aderen binnenstroomt en de mensen op straat worden schapen die ongehinderd doorgrazen, in het vertrouwen dat ieder moment de zon kan gaan schijnen.
Hij sluit zijn ogen en daar is zijn vaders gezicht zoals hij het voor het laatst zag. Ondanks de jaren die verstreken zijn, is het in zijn herinnering nog haarscherp met in zijn voorhoofd rimpels verdiept tot groeven en ogen als smeulende kolen. Ook zijn vaders woede is nog steeds voelbaar al is hem inmiddels ontgaan waarover hun laatste ruzie ging. De woorden die hij bij zijn vertrek zijn vader toeriep weet hij nog wel: “Ik zet nooit meer een stap op dit achterlijke eiland.” Nu, veertig jaar klinkt zijn stem van toen als jeugdige overmoed in zijn geheugen. Hoe kon hij denken dat hij aan zijn plicht kon ontkomen? Al die smeekbedes van Nellie om haar een keer mee te nemen naar zijn koninkrijk, zoals ze het noemde. Zijn weigeringen van toen hangen nu als ijzeren gewichten aan zijn hart. Een frontale botsing, hij kan het gevoel niet van zich afzetten dat dit de prijs is die hij voor zijn obstinaatheid moest betalen. Verloren. Niet alleen van zijn vader, ook van het leven. Wat maakt het nog uit. Hij draait het uitzicht zijn rug toe en gaat achter zijn computer zitten om de reis naar zijn geboortegrond te regelen.

Wil je geen zondagverhaal missen? Geef dan je emailadres door via het formulier op mijn homepage en  ontvang iedere zondagochtend de link naar het nieuwste verhaal.

6 reacties

  1. Ben op 6 september 2020 om 09:32

    Hoera! Ik heb de afgelopen weken genoten van alle inzendingen en sommigen hebben me geraakt en dingen laten beleven en toch en toch en toch….. eindelijk weer een echte Marceline! Heerlijk weer de sfeer, Schotland, het besluit en het mooie vervolg dat er vast en zeker aan zal komen…. Dank en ik kijk weer uit naar het vervolg!

  2. Bep op 6 september 2020 om 10:15

    Wát een verhaal, van de 1e tot de laatste minuut hield het mijn aandacht stevig in handen, fantastisch geschreven………ik kijk uit naar het vervolg!
    Dankjewel Marceline!!!

  3. Antoine Lagrouw op 6 september 2020 om 18:09

    Een paar mooie zinnen om van te smullen:
    De eeuwenoude panden aan de overkant vervagen tot bergen, rotsachtig grijsbruin tegen een hemel waar wolken als knotten wol overheen jagen. De rondvaartboten gaan op in een mist van regen die kil zijn aderen binnenstroomt en de mensen op straat worden schapen die ongehinderd door grazen, in het vertrouwen dat ieder moment de zon kan gaan schijnen.

  4. Marceline de Waard op 6 september 2020 om 21:40

    Bep, Ben en Antoine: dank voor jullie heerlijke reacties.
    “Eindelijk weer een echte Marceline”: je laat mij blozen van genoegen, Ben!”
    ” … ik kijk uit naar het vervolg”: ik glim van plezier, Bep!
    “Een paar mooie zinnen om van te smullen.”: je moest een zien hoe ik hier zit te glunderen, Antoine!

  5. Thole op 25 september 2020 om 14:25

    Een leven aan puin, beschreven in een paar zinnen. Prachtig begin.

    • Marceline de Waard op 26 september 2020 om 13:14

      Dank je wel, Thole!

Laat een reactie achter