‘Alstublieft.’ Voor haar Post – Shop zet Jane een blad met thee en scones neer op de tafel tussen de twee wandelaars. Verderop steken de bergen donker af tegen helder blauw. De bijbehorende zon voelt weldadig na dagen vol regen, tussen de picknicktafels doen schapen zich tegoed aan het zompige groen.
‘Ik snap niet wat jou bezielde om hiernaartoe te willen.’ Net als ze haar winkel wil binnengaan wordt haar aandacht getrokken door de ontevreden klank in een vrouwenstem. Haar hak zwikt op het onverharde pad en ze grijpt zich vast aan de man naast haar om niet te struikelen. Zijn rug staat strak als van een echtgenoot die het eeuwige gezeur van zijn vrouw zat is. De manier waarop hij zijn hoofd van haar weg opzij buigt, brengt Jane twintig jaar terug in tijd. Een vlaag van misselijkheid bevangt haar.
‘Ze ziet er inderdaad uit of ze meer op haar plaats is op een Grieks eiland. Wat bezielt een man om zo’n vrouw mee te nemen naar een afgelegen eiland in de Hebriden.’ Het net te harde gefluister van de wandelaars onderbreekt haar gedachten. Ze glimlacht om de raakheid van hun woorden.

Het incident van die ochtend laat de rest van de dag een licht onbestemd gevoel achter. Na sluitingstijd gaat ze met een kop thee op het bankje naast de voordeur van haar cottage achter de winkel zitten. Ze haalt het beeld van de man vanochtend weer terug. De lijn van zijn schouders en de hoek tussen zijn oor en schouder, het haalde de herinnering terug aan die keer dat ze haar minnaar voor het laatst nakeek. Hun eerste en laatste vakantie samen. De harstocht, gevolgd door zijn botte vanzelfsprekendheid dat ze een einde zou maken aan haar onbedoelde zwangerschap. Formeel hebben ze het nooit uitgemaakt, zij heeft simpelweg nooit meer op zijn telefoontjes gereageerd. De herinnering aan hun laatste vrijpartij welt op, weemoed dringt zich in het geluksgevoel dat ze hier op het eiland vond. Ze schudt haar hoofd om het beeld te laten verdwijnen. Onmogelijk dat hij het was. Bizar dat zo’n stom incident iets wat bij een vorig leven hoort, terughaalt.
‘Béh, béh.’ Voorbij dribbelende schapen halen haar weer terug naar het hier en nu. Haar ogen volgen de wollige beesten de paar honderd meter het pad af naar het strand. De bijna-zwarte keien contrasteren met het witte strand en de zee, de ondergaande zon geeft er een oranjegouden gloed. Als een sprookje, ze woont hier al bijna twintig jaar en nog steeds raakt het haar hart.

‘Die stomme schapen lopen werkelijk overal. Kst, kst. Ik snap niet dat ze geen hek om het terras zetten. Nou ja, terras, drie houten banken op een stuk afgevreten groen.’
De volgende ochtend komt Jane haar winkel uit en de stem van de zeurvrouw waait haar tegemoet.
‘Hou nu eens op, ik ben dat gezanik van je meer dan zat. Het is hier prachtig, kijk om je heen en geniet.’
Dus toch, al heeft ze hem twintig jaar niet gehoord, het is precies dezelfde stem die ooit lieve woordjes in haar oren fluisterde. Jij Jane, ik Tarzan. Wat houd ik toch van je. Heb je geduld tot mijn kinderen groot genoeg zijn? Natuurlijk had ze geduld, vijftien jaar lang, tot de dag dat ze besefte dat hij zijn vrouw nooit voor haar zou verlaten. Ze stapt naar achteren, vast van plan de deur dicht te trekken en het bord gesloten voor het winkelraam te hangen. Net zolang tot ze van haar eiland vertrokken zijn.
‘Daar is toch iemand.’ De zeurvrouw steekt haar hand op. ‘Ik wil graag een cappuccino. Jij? ’ De laatste vraag stelt ze aan haar echtgenoot. Jane loopt naar het stel toe en blijft schuin achter de rug van haar oude minnaar staan. ‘Ik heb geen cappuccino, wel een cafètiere.’ De zenuwen maken haar stem ijl en ze hoopt dat hij haar stem niet herkent. Is het niet zo dat na de overgang vrouwenstemmen hoger worden?
‘Een coffeeshop zonder cappuccino, wat is dat voor achterlijks?’
Jane wil zeggen dat dit geen coffeeshop is, maar een postkantoor annex winkel. Ze is pas met koffie en thee begonnen toen bleek dat veel van de vakantiegasten die hier hun boodschappen halen, behoefte hadden aan een kop met wat lekkers voor ze teruggingen naar hun afgelegen vakantiecottage. De situatie verlamt haar tong en ze blijft zwijgend staan.
‘Laat dat, Thérèse.’ Richard draait zich naar haar toe. ‘Een cafètiere is prima.’ Zijn glimlach is vriendelijk, neutraal en in zijn ogen vlamt geen herkenning op. Ze knikt en draait zich om, niet-wetend of ze opgelucht of beledigd moet zijn dat hij haar niet herkent.

Alsof ze een robot is waarin de juiste handelingen geprogrammeerd zijn, zet ze de waterkoker aan en schept koffie in een cafètiere.
‘Pardon.’ Voetstappen worden gevolgd door zijn stem. Oh, god, hij heeft haar toch herkend en wilde het niet laten merken waar zijn vrouw bij was. Haar mond wordt droog en ze zoekt naar de juiste woorden, ondertussen gaan haar handen automatisch door en zetten twee bekers, suiker en melk op een dienblad.
‘Ik vroeg mij af of u er nog iets van cake bijheeft.’
De alledaagsheid van zijn vraag haalt de spanning bij haar weg, net als haar gevoel en als vanzelf stromen de juiste woorden uit haar mond: ‘er zijn scones en appelgebak.’
‘Wilt u er scones bijdoen?’
‘Zeker, ik kom het zo brengen.’
‘Dat hoeft niet, ik wacht wel even en dan neem ik het mee. Het was trouwens een slecht idee om mijn vrouw naar dit eiland te brengen, mijn excuses voor haar gedrag.’
‘Een eiland als dit is inderdaad niet aan iedereen besteed.’
‘Heb ik u soms eerder ontmoet? U heeft iets bekends.’
Tot haar opluchting slaat de waterkoker af. Alsof er niets aan de hand is, giet ze heet water op de koffie.
‘Misschien in Londen of in Glasgow?’
Oxford, klootzak, je bezocht mij altijd in de flat waar ik toen woonde. In plaats van de woorden uit te spreken, concentreert ze zich op het in orde maken van zijn bestelling. Scones, kuipjes boter en jam. Ze schikt ze op een bord en zet dat naast de bekers op het blad. ‘Misschien bent u eerder op het eiland geweest?’ vraagt ze als ze klaar is.
‘Dit is de eerste keer en zo te zien heb ik wat gemist.’ Zijn glimlach is flirterig.
Het door haar opvoeding gelegde laagje beschaving wint het van haar impulsen. Ze plooit haar gezicht in iets waarvan ze weet dat het op een glimlach lijkt en schuift het blad naar hem toe. ‘Zeven pond, alstublieft.’

Wil je geen zondagverhaal missen? Geef dan je emailadres door via het formulier op mijn homepage en  ontvang iedere zondagochtend de link naar het nieuwste verhaal.

10 reacties

  1. Ben op 3 mei 2020 om 09:46

    Yes! Ik had al zo’n vermoeden en dan is het fijn als het vervolg er toch komt! Mooi en spannend, ik voelde me al warm worden: gaat hij haar herkennen? En dan? Volgens mij gerechtigheid! Slappe knieën Richard! Je hebt zeker wat gemist als je echt om Jane had gegeven…. Ik vond het weer een heerlijk begin van deze zondagochtend!

    • Marceline de Waard op 3 mei 2020 om 09:50

      Dank je wel, Ben, voor je heerlijk enthousiaste reactie. Fijn dat het een heerlijk begin van jouw zondag is.

      • Bep op 3 mei 2020 om 11:30

        Ze moet maar blij zijn dat ze niet met deze man verder gegaan is, wat een verachtelijke man is hij toch! Nu weer proberen te flirten met haar, zou hij haar echt niet herkennen, of doet hij.alsof?
        Wees maar blij Jane, hij is jou echt niet waard!
        Mooi vervolg van dit verhaal!

        • Marceline de Waard op 3 mei 2020 om 11:51

          Het is inderdaad wat, Bep, zo’n man. Fijn datje het kon waarderen en het en mooi vervolg vond. Ik ben blij met je reactie. .

  2. Claudia op 3 mei 2020 om 10:11

    Mooi weer.. Ik hou er zo van.

    • Marceline de Waard op 3 mei 2020 om 10:16

      Dat is heerlijk om te lezen, Claudia! Dank je wel, je reactie maakt mij blij.

  3. Thole op 3 mei 2020 om 12:22

    Een heel mooi beeldend geschreven episode, die voor mij weer alle ingrediënten bevat die deze aflevering boeiend maakt om te lezen.

    • Marceline de Waard op 3 mei 2020 om 12:49

      Dank je wel, Thole!

  4. Nicole op 8 mei 2020 om 10:11

    Prachtig vervolg. Bleef spannend tot het einde,,,, zou hij haar herkennen?

    • Marceline de Waard op 8 mei 2020 om 10:50

      Dank je wel, Nicole!

Laat een reactie achter